Nieuws

Sociaal secretariaat Dienstbetoon houdt u graag op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op gebied van sociale wetgeving.
Hieronder vindt u onze meest recente nieuwsberichten.
Bent u naar iets specifieks op zoek? Via de categorieën aan de rechterkant vindt u wellicht sneller wat u zoekt.

Sinds enkele maanden kan de lastenverlaging voor werken in ploegen effectief toegepast worden. 

Ons sociaal secretariaat heeft tijdens de voorbije maanden massaal de herberekeningen kunnen uitvoeren.

Voor 2018 bedroeg de loonlastenverlaging 3% van de belastbare bezoldigingen, voor 2019 is dat 6%, vanaf 2020 wordt dit 18%.

Eén van de voorwaarden is dat de werknemer een minimumloon van 13,99€ (2019) moet ontvangen. Op basis van de wetteksten en de administratieve interpretatie moeten alle leden van de ploeg het vereiste minimumloon genieten. Indien één persoon minder ontvangt dan het minimumloon, zou dit als gevolg hebben dat ook alle andere leden van de ploeg het voordeel verliezen.

De beleidscel van de Minister van Finciën Decroo heeft ons meegedeeld dat zij beslist heeft om een soepeler standpunt in te nemen: wanneer een lid van een ploeg niet het vereiste minimumloon ontvangt, zal geen lastenverlaging kunnen toegepast worden voor deze persoon. Alle andere leden van de ploeg met het vereiste minimumloon behouden wel de lastenverlaging.

Aan de FOD Financiën werd door de Confederatie Bouw gevraagd om hun ontwerp van circulaire in deze zin aan te passen.

ARBEIDERS (P.C. 124)

 

1 Realisatie van de arbeidsduurvermindering

In de bouwnijverheid wordt de arbeidsduurvermindering gerealiseerd via het toekennen van 12 rustdagen per jaar. Op die manier wordt de effectieve wekelijkse arbeidsduur, die nog steeds 40 uur bedraagt, op jaarbasis teruggebracht tot 38 uur.

De reglementaire basis van het stelsel van de rustdagen vinden we vooreerst in het KB nr. 213 van 26 september 1983. De arbeiders uit de bouwnijverheid hebben op basis van dit KB voor elk jaar recht op 6 rustdagen. De overige 6 rustdagen worden toegekend op basis van een CAO die telkens in het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf wordt afgesloten.

De data van 12 inhaalrustdagen voor 2019 werden vastgesteld op:

- 2, 3 en 4 januari, 19 april, 31 mei, 16 augustus 2019 (op grond van het KB van 2 november 2017 (BS van 4 december 2017) dat het KB nr. 213 uitvoert);

- 23, 24, 26, 27, 30 en 31 december 2019 (op grond van de CAO van 29 juni 2017 – KB van 25 februari 2018 – BS van 9 maart 2018).

 

2 Verbod op tewerkstellingen en uitzonderingen

Tijdens de 12 inhaalrustdagen geldt er een principieel verbod tot tewerkstelling, zowel ten aanzien van de bouwvakarbeiders, de bedienden, leerlingen als uitzendkrachten in de bouw. 

Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor de volgende gevallen:

a) in de gevallen waar arbeid op zondag is toegestaan (artikel 12 van de Arbeidswet van 16 maart 1971). Het gaat hierbij om ofwel:

- het toezicht op de bedrijfsruimte;

- het schoonmaken, herstellen en onderhouden, in zoverre deze werkzaamheden voor de regelmatige voortzetting van het bedrijf nodig zijn, alsmede de werkzaamheden buiten de productie, die nodig zijn voor de regelmatige hervatting van het bedrijf na de sluitingsperiode van de bouwplaatsen (bv. schilderwerken in een school tijdens de kerstvakantie);

- arbeid verricht om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of een dreigend ongeval (bv. strooiwerkzaamheden op de wegen, het herstellen van een beschadigd stuk wegdek wanneer dit niet kan uitgesteld worden);

- dringende arbeid aan machines of materieel, en arbeid die door een onvoorziene noodzaak wordt vereist;

- arbeid om beschadiging van grondstoffen of voortbrengselen te voorkomen.

b) wanneer de arbeiders belast zijn met de klantendienst bij handelaars in bouwmaterialen, met uitzondering van het vervoer. De ondernemingen voor de handel in bouwmaterialen moeten aan het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf de toestemming vragen en verkrijgen voor het tewerkstellen van arbeiders op zaterdagen (volgens de procedure die beschreven werd in de CAO van 30 juni 1980). 

c) wanneer ze tewerkgesteld zijn in de ondernemingen die op het ogenblik van de toekenning van de rustdagen, gewoonlijk een periode van intense activiteit kennen.

Van dit uitzonderingsgeval kan enkel gebruik gemaakt worden tijdens de laatste zes rustdagen (23, 24, 26, 27, 30 en 31 december 2019).

Onder een "intense activiteit" wordt een “activiteit verstaan die normaal gezien aanleiding zou kunnen geven tot het verrichten van bijkomende uren”. Dit uitzonderingsgeval geldt vooral voor de installateurs in centrale verwarming. 

Het werken tijdens de inhaalrustdagen kan niet gerechtvaardigd worden omdat een bepaalde uitvoeringstermijn nageleefd dient te worden. 

Wanneer van één van de uitzonderingen op het verbod tot werken tijdens de inhaalrustdagen gebruik gemaakt wordt, moet geen toelating bij de sociale inspectie aangevraagd worden. De werkgever beslist op eigen verantwoordelijkheid tot het werken tijdens de inhaalrustdagen. Wel dient een mededeling te gebeuren aan de Inspectie van de Sociale Wetten van het district waar de werken worden uitgevoerd. Deze mededeling moet indien mogelijk vooraf gebeuren, zoniet uiterlijk 24 uur na het begin van de werkzaamheden.

 

3 Vervanging van de gewerkte inhaalrustdagen

De arbeiders die tijdens één of meerdere inhaalrustdagen moeten werken, ontvangen hiervoor hun normaal loon en hebben recht op inhaalrust, die normaal binnen de 6 weken moet toegekend worden. Wanneer er arbeid werd verricht in een periode van intense activiteit, wordt deze termijn op 7 maanden gebracht.

De vervangingsrust bedraagt:

- één volle dag, indien de arbeid langer dan vier uur heeft geduurd;
- tenminste een halve dag, indien hij niet langer dan vier uur heeft geduurd. In dit geval moet de vervangingsrust vóór of na 13 uur verleend worden en mag er op die dag niet langer dan vier uur arbeid worden verricht;

en mag uiteraard niet samenvallen met rusttijden die ingevolge bv. het werken op zondag of het verrichten van overuren moeten toegekend worden. 

Arbeiders die tijdens de inhaalrustdagen werkten en nog niet alle gepresteerde dagen recupereerden, mogen niet tijdelijk werkloos gesteld worden vooraleer deze inhaalrustdagen genomen werden. 
 
Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet de werkgever het aantal niet toegekende inhaalrustdagen op het bewijs van volledige werkloosheid C4 vermelden.

 

4 Sancties

De werkgevers, hun lasthebbers of aangestelden die:

- de inhaalrustdagen niet toekennen;
- arbeid laten verrichten tijdens deze dagen behalve in de uitzonderingsgevallen;
- de inhaalrust bij toegelaten arbeid op een inhaalrustdag niet toekennen binnen de voorgeschreven termijn;

kunnen een sanctie van het niveau 2 volgens de bepalingen van het Strafrechtelijk Wetboek oplopen (geldboete van € 50 tot € 500 (x 6)) of kunnen een administratieve geldboete (van € 25 tot € 250 (x 6)) oplopen.

 

5 Vergoeding voor de inhaalrustdagen

Voor de inhaalrustdagen moet geen loon worden betaald door de werkgever. De vergoeding van de rustdagen is voor de bouwvakarbeiders ten laste van het Fonds voor Bestaanszekerheid (FBZ): zij betaalt een vergoeding voor de rustdagen uit via de uitbetalingsinstellingen voor werkloosheidsuitkeringen (= de vakbonden of de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen).

Iedere arbeider heeft in principe recht op de betaling van alle rustdagen die binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen. Er is geen anciënniteitsvereiste, noch een pro-rataregeling.

Het bedrag van de vergoeding is afhankelijk van de looncategorie waartoe de arbeider behoort en wordt door het FBZ-Bouw vastgesteld op basis van het uurloon van de arbeider zoals opgenomen in de DMFA-aangifte van het 3de kwartaal. Bij een deeltijdse tewerkstelling wordt bij de berekening van de vergoeding rekening gehouden met de contractuele gemiddelde wekelijkse arbeidsduur zoals vermeld in de DMFA-aangifte. Voor de arbeiders die in het 4de kwartaal worden aangeworven, wordt er gewerkt op basis van de DIMONA-aangifte.

Merk op! Pro-ratavergoeding rustdagen bij overmatig gebruik economische werkloosheid. 

Het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf heeft op 12 september 2013 een CAO ondertekend met een bijkomende maatregel om het overmatig gebruik van economische werkloosheid te ontraden.

Arbeiders die op jaarbasis 75 dagen of meer economische werkloosheid tellen, zullen voor de rustdagen voortaan een vergoeding van het Fonds voor Bestaanszekerheid ontvangen die pro rata berekend is in functie van de gepresteerde dagen en dit volgens de volgende formule:

baremiek dagbedrag x gepresteerde dagen in referteperiode 
                                                           229

Het pro-ratadagbedrag kan niet lager zijn dan het bedrag van de werkloosheidsvergoeding die wordt toegekend aan een werknemer met gezinslast  dat geldig is op 1 oktober van het jaar waarin de hoofdperiode van de rustdagen een aanvang neemt. Indien het resultaat van de voormelde berekening kleiner is dan dit minimumbedrag, wordt een pro-ratadagbedrag toegekend gelijk aan dit minimumbedrag.

Bovendien zal het Fonds de pro-ratavergoeding terugvorderen bij de werkgevers.

Indien de arbeider in de referteperiode bij slechts één werkgever was tewerkgesteld, wordt de volledige pro rata berekende vergoeding teruggevorderd bij deze werkgever.

Indien de arbeider in de referteperiode bij meerdere werkgevers was tewerkgesteld, wordt er enkel overgegaan tot terugvordering bij die werkgever(s) bij wie er een overmatig gebruik van economische werkloosheid geweest is voor de betrokken arbeider in de referteperiode.

Er is een overmatig gebruik van economische werkloosheid (EW) wanneer het resultaat van de volgende formule groter of gelijk is aan 0,3275:

             aantal dagen EW bij werkgever (WG)                      
aantal dagen DmfA bij WG – vakantiedagen – rustdagen

Het terug te vorderen bedrag wordt als volgt berekend:

bedrag pro rata x aantal dagen EW bij WG
        aantal dagen EW in referteperiode

De maatregel kadert in de afspraken tussen de sociale partners in de bouw om het structureel evenwicht in het budget van het Fonds voor Bestaanszekerheid te behouden, en is in werking getreden op 1 januari 2013.

 

6 Overhandiging en uitbetaling via het attest “Inhaalrustdagen”

De vergoedingen voor de rustdagen worden door het Fonds voor Bestaanszekerheid al voorberekend via het speciaal formulier “Rustdagen” dat begin december op naam van iedere arbeider aan de bouwbedrijven verstuurd wordt. De werkgever dient de berekening gemaakt op dit formulier na te kijken: indien het attest juist is, moet het aan de arbeider overhandigd worden.

Het totale bedrag “Rustdagen” wordt bekomen door het aantal vergoedingen waarop de arbeider recht heeft (rubriek II van het formulier) te vermenigvuldigen met het dagbedrag dat overeenstemt met de beroepscategorie van de arbeider (cfr. barema onder rubriek III van het formulier).

 

7 Correctie van het aantal voorberekende inhaalrustdagen

In sommige gevallen heeft een arbeider geen recht op de betaling van bepaalde rustdagen, niettegenstaande die dagen binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen. Dit is het geval wanneer zijn arbeidsovereenkomst op dat ogenblik geschorst is om één van de volgende redenen:

- wederzijdse instemming;
- arbeidsongeval of beroepsziekte;
- volledige loopbaanonderbreking of volledig tijdskrediet;
- beroepsopleiding;
- voorlopige hechtenis;
- ongerechtvaardigde afwezigheid of onbetaald verlof.

Bij schorsing wegens ziekte behoudt de arbeider het recht op betaling van de rustdag door het FBZ behalve wanneer deze schorsing al ononderbroken loopt sinds 1 januari van het jaar waarop de rustdag betrekking heeft. In geen geval kan de zieke arbeider echter de rustdag op een later tijdstip inhalen.  

In een aantal andere gevallen heeft een arbeider na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst nog recht op de betaling van rustdagen die buiten de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen:

- de arbeider die verbonden was met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en die ontslagen werd (behalve om dringende reden) in de periode van 60 dagen voorafgaand aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen op het einde van het jaar, heeft nog recht op betaling van de rustdagen van de hoofdperiode op voorwaarde dat hij op dat ogenblik nog volledig werkloos is. Werknemers die brugpensioen of begeleidende maatregelen genieten, hebben echter geen recht meer op de betaling van de rustdagen van de hoofdperiode;
- de arbeider die verbonden was met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van minstens drie maanden welke een einde nam in de periode van 60 dagen voorafgaand aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, heeft recht op de betaling van een gedeelte van de rustdagen. Ook hier is de voorwaarde dat hij in de hoofdperiode nog volledig werkloos is. Hij heeft enerzijds recht op de dagen die binnen de overeenkomst vallen en anderzijds op een aantal bijkomende rustdagen in verhouding tot de duur van zijn arbeidsovereenkomst (elke maand tewerkstelling geeft recht op 1 rustdag).

De attesten die niet mogen overhandigd worden, moeten aan Constructiv, Koningsstraat 132 Bus 1 te 1070 Brussel (telefoon: 02/209.65.56 (dienst rustdagen) – fax: 02/209.65.00) worden teruggezonden, met vermelding van de reden van de schorsing en/of de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Constructiv zal later een aangepast formulier opmaken.

 

8 Aflevering van het attest bij een tewerkstelling tijdens de inhaalrustdagen

Indien de werkgever, gebruikmakend van de voorziene uitzonderingen, zijn arbeiders tewerkstelt tijdens één of meerdere van de twaalf inhaalrustdagen, dienen deze arbeiders niettemin op het normale tijdstip het attest te ontvangen. De door Constructiv uitbetaalde vergoeding dekt dan de vervangingsrustdag(en) die binnen de zes weken of binnen de zeven maanden moet(en) worden toegekend. 

 

9 Schorsing van de opzeggingstermijn

De opzeggingstermijn die door de werkgever betekend wordt, wordt geschorst tijdens de zes inhaalrustdagen (dus niet tijdens de weekends of op de feestdagen) die in de hoofdperiode van 23 december 2019 tot en met 31 december 2019 worden toegekend. Ook tijdens de twee inhaalrustdagen van 2 januari 2020 en 3 januari 2020 wordt de opzegtermijn geschorst!

Vanzelfsprekend zal de opzeggingstermijn niet geschorst worden wanneer de werknemer zelf opzegt. 

 

10 Klein verlet

Het klein verlet dat tijdens de inhaalrustdagen zou vallen, moet niet worden betaald (geen loonverlies). 

 

11 Ziekte – Ongeval – Gewaarborgd loon

Tijdens de 12 inhaalrustdagen, die gedekt zijn door een vergoeding, kan er geen aanspraak gemaakt worden op gewaarborgd loon ziekte. Een arbeider die arbeidsongeschikt wordt vóór of tijdens de inhaalrustdagen heeft slechts recht op gewaarborgd loon voor de dagen die zich situeren vóór en/of na de inhaalrustdagen. 

 

12 Tijdelijke werkloosheid

Tijdens de inhaalrustdagen kunnen de arbeiders geen aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge slecht weer of economische redenen. De arbeiders zullen voor de inhaalrustdagen de code A (loon zonder arbeid) moeten invullen op hun nominatieve C 3.2 A controlekaart. De werkgever mag voor de inhaalrustdagen noch de met de aard van de tijdelijke werkloosheid overeenstemmende code, noch het aantal uren van tijdelijke werkloosheid in het rooster van rubriek 3 op het “C 3.2-WERKGEVER” formulier invullen.

Ingeval de werknemers tewerkgesteld zouden worden tijdens de inhaalrustdagen, dient hen eerst de inhaalrust te worden toegekend vooraleer zij tijdelijk werkloos mogen gesteld worden.

De RVA-Antwerpen is er op ons verzoek mee akkoord gegaan dat de aangevraagde periode van economische werkloosheid met 2 weken verlengd wordt door de inhaalrustperiode tussen 23 december 2019 tot en met 3 januari 2020. Van de onderbreking ingevolge inhaalrust moet wel melding gemaakt worden in de kennisgeving tot invoering van de economische werkloosheid.

De inhaalrustdagen worden gelijkgesteld met een periode van werkhervatting tussen 2 economische werkloosheidsperiodes van 4 weken, als zij in een bijlage bij het arbeidsreglement opgenomen waren. 

 

13 Betaling van de feestdagen van Kerstmis en Nieuwjaar

Voor de betaling van de feestdagen van Kerstmis en Nieuwjaar, dient er een onderscheid gemaakt te worden al naargelang de situatie waarin de arbeider zich bevond vóór de inhaalrustdagen:

- de arbeiders die vóór de inhaalrustdagen aan het werk of in tijdelijke werkloosheid waren, hebben recht op de betaling van deze feestdagen ten laste van hun werkgever;
- de arbeiders van wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is om een andere reden dan tijdelijke werkloosheid, behouden het recht op de betaling van de feestdagen volgens de algemene regeling inzake de feestdagen;
- de arbeiders die door de werkgever - tenzij omwille van een dringende reden - vóór de inhaalrustdagen ontslagen werden en op het ogenblik dat de feestdagen vallen, nog volledig werkloos zijn, kunnen recht verkrijgen op betaling van Kerstmis en Nieuwjaar ten laste van hun vorige werkgever. Beide feestdagen moeten betaald worden indien zij binnen de 60 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vallen en de arbeider minstens 1 maand in dienst van de onderneming bleef. Als de arbeider meer dan 14 dagen en minder dan 1 maand in dienst bleef, kan hij op de betaling van maximum 1 feestdag aanspraak maken, voor zoverre die binnen de 14 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst valt.

 

14 De verwerking van de inhaalrustdagen in de DMFA-aangifte

De twaalf inhaalrustdagen worden onder de prestatiecode 12 aangegeven in de DMFA-aangifte aan de RSZ.

Zij worden als arbeidsdagen meegeteld om het bedrag van de structurele vermindering van de RSZ-bijdragen te berekenen.

 

BEDIENDEN (ANPCB NR. 218) 

Bedienden in de bouw volgen de regeling van de bouwvakarbeiders.

Ook voor hen bedraagt de wekelijkse arbeidsduur 38 uur op jaarbasis.

Voltijdse bedienden moeten gedurende 40 uur per week in de bouw tewerkgesteld worden en krijgen recht op twaalf inhaalrustdagen die zij op dezelfde data moeten nemen als de werklieden.

Voor elke inhaalrustdag waarop een bediende recht heeft, ontvangt hij/zij het normaal loon ten laste van de werkgever.

Belangrijk is dat:

- de bediende gebonden moet zijn door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de toekenning van de rustdagen; 

- de bediende die ontslag neemt in de loop van het jaar en die niet meer verbonden is door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat de rustdagen worden toegekend, er niet kan van genieten;

- de bediende die in de loop van het jaar in dienst treedt en die verbonden is door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat de rustdagen worden toegekend, er volledig kan van genieten. Zo heeft een bediende die recent (bv. 14 november 2019) aangeworven werd, recht op de inhaalrustdagen die tijdens de hoofdperiode vallen indien hij/zij op dat moment nog met een arbeidsovereenkomst verbonden is;

- de bediende die ontslagen wordt door zijn werkgever in de loop van het jaar en wiens overeenkomst een einde neemt in de periode van 60 dagen die voorafgaan aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, recht heeft op volledige betaling van de rustdagen ten laste van zijn vorige werkgever, tenminste als hij/zij bij het begin van de hoofdperiode nog volledig werkloos is; 

- de bediende die ontslagen wordt door zijn werkgever in de loop van het jaar en wiens overeenkomst een einde neemt vóór de periode van 60 dagen die voorafgaat aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, enkel recht heeft op de rustdagen die binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen.

De opzeggingstermijn van bedienden wordt niet geschorst tijdens de inhaalrustdagen die in de eindejaarsperiode vallen.

 

LEERLINGEN - Overeenkomst alternerende opleiding (afgesloten vanaf 1 september 2016)

Vanaf 1 september 2016 vervangt de overeenkomst alternerende opleiding de middenstandsleerovereenkomst en het industrieel leerlingwezen - waaronder het JLW en de ABO in de bouw ressorteren - in Vlaanderen.

In de overeenkomst alternerende opleiding waarbij er een maandelijkse leervergoeding tussen € 462,30 en € 549,90 voorzien is, zullen dezelfde regels inzake toekenning inhaalrustdagen gelden als in het kader van middenstandsleerovereenkomst. Dit betekent dat ze op de inhaalrustdagen van het werk afwezig mogen blijven en tijdens deze dagen hun recht blijven behouden op betaling van de leervergoeding namens de onderneming.

Vanaf 1 december 2019 zijn er enkele belangrijke wijzigingen in de regeling van de mobiliteitsvergoedingen – bouwsector.

Wat verandert er precies?

  1. HET BEDRAG VAN DE MOBILITEITSVERGOEDING VERHOOGT MET 20%.

Voor verplaatsingen met een ander vervoermiddel dan de trein (het zogenoemde barema B), wordt het bedrag van de mobiliteitsvergoeding vanaf 1 december 2019 met 20% verhoogd.  Voortaan komen we op volgende basisbedragen uit :

Werkelijk totale afgelegde afstand per dag

Mobiliteitsvergoeding per km heen en terug

0 tot 59 km

€ 0,0619

60 tot 77 km

€ 0,0676

78 tot 103 km

€ 0,0700

104 tot 129 km

€ 0,0724

130 tot 155 km

€ 0,0773

156 tot 207 km

€ 0,0818

208 tot 259 km

€ 0,0844

260 km en meer

€ 0,0868

Looncode bij Dienstbetoon : 5000

 

Via onze website www.dienstbetoon.be kan de in de bouw verschuldigde mobiliteitsvergoeding, verplaatsings- en fietsvergoeding via een eenvoudige Excel-module berekend worden.  Vanaf  9  december 2019  wordt de nieuwe versie gepubliceerd. 

( https://www.dienstbetoon.be/index.php/mobiliteitsvergoeding )

 

  1. CHAUFFEURS MET PERSONEELSVOERTUIGEN DIE ALLEEN RIJDEN - NIEUW

Vanaf 1 december 2019 is er een nieuw mobiliteitsbedrag van kracht voor bestuurders van voertuigen van de werkgever, die daarbij geen personeel vervoeren

Het moet hierbij uitdrukkelijk gaan om :

  • Een arbeider die zich alleen (dus zonder passagiers) met een bedrijfsvoertuig van de werkgever naar de werf verplaatst;
  • waarbij de verplaatsing gebeurt op vraag van de werkgever
  • en er geen collectief vervoer voor deze arbeider mogelijk is.

In alle andere gevallen blijft de gewone mobiliteitsvergoeding (aan het tarief opgenomen in 1) van toepassing

Voor deze categorie van bestuurders bedraagt de mobiliteitsvergoeding 5% meer dan de vergoeding opgenomen in de vorige tabel en komen we op volgende bedragen uit :

Werkelijk totale afgelegde afstand per dag

Mobiliteitsvergoeding per km heen en terug

0 tot 59 km

€ 0,0650

60 tot 77 km

€ 0,0710

78 tot 103 km

€ 0,0735

104 tot 129 km

€ 0,0760

130 tot 155 km

€ 0,0812

156 tot 207 km

€ 0,0859

208 tot 259 km

€ 0,0886

260 km en meer

€ 0,0911

Nieuwe looncode bij Dienstbetoon : 5040

 

  1. CHAUFFEURS MET PERSONEELSVOERTUIGEN DIE PERSONEEL VERVOEREN

Voor deze categorie van  bestuurders bedraagt de mobiliteitsvergoeding sinds jaar en dag 0,1316 EUR/km en dat vanaf de eerste kilometer.  Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op sociale zekerheids vlak en fiscaal vrijgesteld wordt.

De sociale partners van de bouwsector spraken of om deze vergoeding met 20% te verhogen en op 0,1579 EUR/km te brengen

Deze verhoging van 20% zal uitwerking hebben nadat een Koninklijk Besluit wordt genomen waarbij het grensbedrag van mobiliteitsvergoeding minimaal wordt verhoogd tot 0,1579 EUR/km. Tot dan blijft het bedrag van 0,1316 EUR/km van toepassing. 

Looncode bij Dienstbetoon : 5002 (Mobiliteit chauffeur)

 

  1. ARBEIDERS DIE OP JAARBASIS 43.000 KILOMETER OF MEER AFLEGGEN, KRIJGEN EEN MOBILITEITSDAG - NIEUW

De werkgever is voortaan verplicht om een betaalde mobiliteitsdag (= vakantiedag) toe te kennen aan arbeiders die op jaarbasis 43.000 kilometer of meer afleggen. Voor het bepalen van de grens telt zowel de afstand tussen de woonplaats en het bedrijf, als deze tussen het bedrijf en de werf mee Deze mobiliteitsdag wordt in onderling akkoord met de werkgever opgenomen vóór 1 april volgend op het jaar waarop deze mobiliteitsdag betrekking heeft.  De eerste mobiliteitsdagen met betrekking tot 2019 kunnen dus al vanaf nu tot 31 maart 2020 opgenomen worden door de bouwvakarbeiders die meer dan 43.000 km in 2019 aflegden.

De mobiliteitsdag is enkel verschuldigd als de arbeider hem effectief opneemt.  De werkgever moet het loon voor de mobiliteitsdag niet betalen als de arbeider hem niet opneemt of niet heeft kunnen opnemen ingevolge schorsing of beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Nieuwe prestatiecode bij Dienstbetoon : 217

 

  1. ARBEIDERS DIE ZICH MET DE FIETS VERPLAATSEN, ONTVANGEN EEN FIETSVERGOEDING

De fietsvergoeding bedraagt vanaf 1 december 2019 € 0,24 (ipv € 0,22) per werkelijk afgelegde kilometer. De fietsvergoeding vervangt de terugbetaling van de reiskosten en de mobiliteitsvergoeding.

Looncode bij Dienstbetoon : 8210 (of 8211)

 

WETTELIJKE REFERENTIE

CAO van 30 september 2019 betreffende de tegemoetkoming in de reiskosten voor bouwvakarbeiders.

Sociaal secretariaat voor
het bouwbedrijf en
aanverwante sectoren

Tel. 03 203 44 11  •  Fax. 03 232 63 75

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Nieuws

Sociaal secretariaat Dienstbetoon houdt u graag op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op gebied van sociale wetgeving.
Hieronder vindt u onze meest recente nieuwsberichten.
Bent u naar iets specifieks op zoek? Via de categorieën aan de rechterkant vindt u wellicht sneller wat u zoekt.

Sinds enkele maanden kan de lastenverlaging voor werken in ploegen effectief toegepast worden. 

Ons sociaal secretariaat heeft tijdens de voorbije maanden massaal de herberekeningen kunnen uitvoeren.

Voor 2018 bedroeg de loonlastenverlaging 3% van de belastbare bezoldigingen, voor 2019 is dat 6%, vanaf 2020 wordt dit 18%.

Eén van de voorwaarden is dat de werknemer een minimumloon van 13,99€ (2019) moet ontvangen. Op basis van de wetteksten en de administratieve interpretatie moeten alle leden van de ploeg het vereiste minimumloon genieten. Indien één persoon minder ontvangt dan het minimumloon, zou dit als gevolg hebben dat ook alle andere leden van de ploeg het voordeel verliezen.

De beleidscel van de Minister van Finciën Decroo heeft ons meegedeeld dat zij beslist heeft om een soepeler standpunt in te nemen: wanneer een lid van een ploeg niet het vereiste minimumloon ontvangt, zal geen lastenverlaging kunnen toegepast worden voor deze persoon. Alle andere leden van de ploeg met het vereiste minimumloon behouden wel de lastenverlaging.

Aan de FOD Financiën werd door de Confederatie Bouw gevraagd om hun ontwerp van circulaire in deze zin aan te passen.

ARBEIDERS (P.C. 124)

 

1 Realisatie van de arbeidsduurvermindering

In de bouwnijverheid wordt de arbeidsduurvermindering gerealiseerd via het toekennen van 12 rustdagen per jaar. Op die manier wordt de effectieve wekelijkse arbeidsduur, die nog steeds 40 uur bedraagt, op jaarbasis teruggebracht tot 38 uur.

De reglementaire basis van het stelsel van de rustdagen vinden we vooreerst in het KB nr. 213 van 26 september 1983. De arbeiders uit de bouwnijverheid hebben op basis van dit KB voor elk jaar recht op 6 rustdagen. De overige 6 rustdagen worden toegekend op basis van een CAO die telkens in het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf wordt afgesloten.

De data van 12 inhaalrustdagen voor 2019 werden vastgesteld op:

- 2, 3 en 4 januari, 19 april, 31 mei, 16 augustus 2019 (op grond van het KB van 2 november 2017 (BS van 4 december 2017) dat het KB nr. 213 uitvoert);

- 23, 24, 26, 27, 30 en 31 december 2019 (op grond van de CAO van 29 juni 2017 – KB van 25 februari 2018 – BS van 9 maart 2018).

 

2 Verbod op tewerkstellingen en uitzonderingen

Tijdens de 12 inhaalrustdagen geldt er een principieel verbod tot tewerkstelling, zowel ten aanzien van de bouwvakarbeiders, de bedienden, leerlingen als uitzendkrachten in de bouw. 

Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor de volgende gevallen:

a) in de gevallen waar arbeid op zondag is toegestaan (artikel 12 van de Arbeidswet van 16 maart 1971). Het gaat hierbij om ofwel:

- het toezicht op de bedrijfsruimte;

- het schoonmaken, herstellen en onderhouden, in zoverre deze werkzaamheden voor de regelmatige voortzetting van het bedrijf nodig zijn, alsmede de werkzaamheden buiten de productie, die nodig zijn voor de regelmatige hervatting van het bedrijf na de sluitingsperiode van de bouwplaatsen (bv. schilderwerken in een school tijdens de kerstvakantie);

- arbeid verricht om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of een dreigend ongeval (bv. strooiwerkzaamheden op de wegen, het herstellen van een beschadigd stuk wegdek wanneer dit niet kan uitgesteld worden);

- dringende arbeid aan machines of materieel, en arbeid die door een onvoorziene noodzaak wordt vereist;

- arbeid om beschadiging van grondstoffen of voortbrengselen te voorkomen.

b) wanneer de arbeiders belast zijn met de klantendienst bij handelaars in bouwmaterialen, met uitzondering van het vervoer. De ondernemingen voor de handel in bouwmaterialen moeten aan het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf de toestemming vragen en verkrijgen voor het tewerkstellen van arbeiders op zaterdagen (volgens de procedure die beschreven werd in de CAO van 30 juni 1980). 

c) wanneer ze tewerkgesteld zijn in de ondernemingen die op het ogenblik van de toekenning van de rustdagen, gewoonlijk een periode van intense activiteit kennen.

Van dit uitzonderingsgeval kan enkel gebruik gemaakt worden tijdens de laatste zes rustdagen (23, 24, 26, 27, 30 en 31 december 2019).

Onder een "intense activiteit" wordt een “activiteit verstaan die normaal gezien aanleiding zou kunnen geven tot het verrichten van bijkomende uren”. Dit uitzonderingsgeval geldt vooral voor de installateurs in centrale verwarming. 

Het werken tijdens de inhaalrustdagen kan niet gerechtvaardigd worden omdat een bepaalde uitvoeringstermijn nageleefd dient te worden. 

Wanneer van één van de uitzonderingen op het verbod tot werken tijdens de inhaalrustdagen gebruik gemaakt wordt, moet geen toelating bij de sociale inspectie aangevraagd worden. De werkgever beslist op eigen verantwoordelijkheid tot het werken tijdens de inhaalrustdagen. Wel dient een mededeling te gebeuren aan de Inspectie van de Sociale Wetten van het district waar de werken worden uitgevoerd. Deze mededeling moet indien mogelijk vooraf gebeuren, zoniet uiterlijk 24 uur na het begin van de werkzaamheden.

 

3 Vervanging van de gewerkte inhaalrustdagen

De arbeiders die tijdens één of meerdere inhaalrustdagen moeten werken, ontvangen hiervoor hun normaal loon en hebben recht op inhaalrust, die normaal binnen de 6 weken moet toegekend worden. Wanneer er arbeid werd verricht in een periode van intense activiteit, wordt deze termijn op 7 maanden gebracht.

De vervangingsrust bedraagt:

- één volle dag, indien de arbeid langer dan vier uur heeft geduurd;
- tenminste een halve dag, indien hij niet langer dan vier uur heeft geduurd. In dit geval moet de vervangingsrust vóór of na 13 uur verleend worden en mag er op die dag niet langer dan vier uur arbeid worden verricht;

en mag uiteraard niet samenvallen met rusttijden die ingevolge bv. het werken op zondag of het verrichten van overuren moeten toegekend worden. 

Arbeiders die tijdens de inhaalrustdagen werkten en nog niet alle gepresteerde dagen recupereerden, mogen niet tijdelijk werkloos gesteld worden vooraleer deze inhaalrustdagen genomen werden. 
 
Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet de werkgever het aantal niet toegekende inhaalrustdagen op het bewijs van volledige werkloosheid C4 vermelden.

 

4 Sancties

De werkgevers, hun lasthebbers of aangestelden die:

- de inhaalrustdagen niet toekennen;
- arbeid laten verrichten tijdens deze dagen behalve in de uitzonderingsgevallen;
- de inhaalrust bij toegelaten arbeid op een inhaalrustdag niet toekennen binnen de voorgeschreven termijn;

kunnen een sanctie van het niveau 2 volgens de bepalingen van het Strafrechtelijk Wetboek oplopen (geldboete van € 50 tot € 500 (x 6)) of kunnen een administratieve geldboete (van € 25 tot € 250 (x 6)) oplopen.

 

5 Vergoeding voor de inhaalrustdagen

Voor de inhaalrustdagen moet geen loon worden betaald door de werkgever. De vergoeding van de rustdagen is voor de bouwvakarbeiders ten laste van het Fonds voor Bestaanszekerheid (FBZ): zij betaalt een vergoeding voor de rustdagen uit via de uitbetalingsinstellingen voor werkloosheidsuitkeringen (= de vakbonden of de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen).

Iedere arbeider heeft in principe recht op de betaling van alle rustdagen die binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen. Er is geen anciënniteitsvereiste, noch een pro-rataregeling.

Het bedrag van de vergoeding is afhankelijk van de looncategorie waartoe de arbeider behoort en wordt door het FBZ-Bouw vastgesteld op basis van het uurloon van de arbeider zoals opgenomen in de DMFA-aangifte van het 3de kwartaal. Bij een deeltijdse tewerkstelling wordt bij de berekening van de vergoeding rekening gehouden met de contractuele gemiddelde wekelijkse arbeidsduur zoals vermeld in de DMFA-aangifte. Voor de arbeiders die in het 4de kwartaal worden aangeworven, wordt er gewerkt op basis van de DIMONA-aangifte.

Merk op! Pro-ratavergoeding rustdagen bij overmatig gebruik economische werkloosheid. 

Het Paritair Comité voor het Bouwbedrijf heeft op 12 september 2013 een CAO ondertekend met een bijkomende maatregel om het overmatig gebruik van economische werkloosheid te ontraden.

Arbeiders die op jaarbasis 75 dagen of meer economische werkloosheid tellen, zullen voor de rustdagen voortaan een vergoeding van het Fonds voor Bestaanszekerheid ontvangen die pro rata berekend is in functie van de gepresteerde dagen en dit volgens de volgende formule:

baremiek dagbedrag x gepresteerde dagen in referteperiode 
                                                           229

Het pro-ratadagbedrag kan niet lager zijn dan het bedrag van de werkloosheidsvergoeding die wordt toegekend aan een werknemer met gezinslast  dat geldig is op 1 oktober van het jaar waarin de hoofdperiode van de rustdagen een aanvang neemt. Indien het resultaat van de voormelde berekening kleiner is dan dit minimumbedrag, wordt een pro-ratadagbedrag toegekend gelijk aan dit minimumbedrag.

Bovendien zal het Fonds de pro-ratavergoeding terugvorderen bij de werkgevers.

Indien de arbeider in de referteperiode bij slechts één werkgever was tewerkgesteld, wordt de volledige pro rata berekende vergoeding teruggevorderd bij deze werkgever.

Indien de arbeider in de referteperiode bij meerdere werkgevers was tewerkgesteld, wordt er enkel overgegaan tot terugvordering bij die werkgever(s) bij wie er een overmatig gebruik van economische werkloosheid geweest is voor de betrokken arbeider in de referteperiode.

Er is een overmatig gebruik van economische werkloosheid (EW) wanneer het resultaat van de volgende formule groter of gelijk is aan 0,3275:

             aantal dagen EW bij werkgever (WG)                      
aantal dagen DmfA bij WG – vakantiedagen – rustdagen

Het terug te vorderen bedrag wordt als volgt berekend:

bedrag pro rata x aantal dagen EW bij WG
        aantal dagen EW in referteperiode

De maatregel kadert in de afspraken tussen de sociale partners in de bouw om het structureel evenwicht in het budget van het Fonds voor Bestaanszekerheid te behouden, en is in werking getreden op 1 januari 2013.

 

6 Overhandiging en uitbetaling via het attest “Inhaalrustdagen”

De vergoedingen voor de rustdagen worden door het Fonds voor Bestaanszekerheid al voorberekend via het speciaal formulier “Rustdagen” dat begin december op naam van iedere arbeider aan de bouwbedrijven verstuurd wordt. De werkgever dient de berekening gemaakt op dit formulier na te kijken: indien het attest juist is, moet het aan de arbeider overhandigd worden.

Het totale bedrag “Rustdagen” wordt bekomen door het aantal vergoedingen waarop de arbeider recht heeft (rubriek II van het formulier) te vermenigvuldigen met het dagbedrag dat overeenstemt met de beroepscategorie van de arbeider (cfr. barema onder rubriek III van het formulier).

 

7 Correctie van het aantal voorberekende inhaalrustdagen

In sommige gevallen heeft een arbeider geen recht op de betaling van bepaalde rustdagen, niettegenstaande die dagen binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen. Dit is het geval wanneer zijn arbeidsovereenkomst op dat ogenblik geschorst is om één van de volgende redenen:

- wederzijdse instemming;
- arbeidsongeval of beroepsziekte;
- volledige loopbaanonderbreking of volledig tijdskrediet;
- beroepsopleiding;
- voorlopige hechtenis;
- ongerechtvaardigde afwezigheid of onbetaald verlof.

Bij schorsing wegens ziekte behoudt de arbeider het recht op betaling van de rustdag door het FBZ behalve wanneer deze schorsing al ononderbroken loopt sinds 1 januari van het jaar waarop de rustdag betrekking heeft. In geen geval kan de zieke arbeider echter de rustdag op een later tijdstip inhalen.  

In een aantal andere gevallen heeft een arbeider na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst nog recht op de betaling van rustdagen die buiten de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen:

- de arbeider die verbonden was met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en die ontslagen werd (behalve om dringende reden) in de periode van 60 dagen voorafgaand aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen op het einde van het jaar, heeft nog recht op betaling van de rustdagen van de hoofdperiode op voorwaarde dat hij op dat ogenblik nog volledig werkloos is. Werknemers die brugpensioen of begeleidende maatregelen genieten, hebben echter geen recht meer op de betaling van de rustdagen van de hoofdperiode;
- de arbeider die verbonden was met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van minstens drie maanden welke een einde nam in de periode van 60 dagen voorafgaand aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, heeft recht op de betaling van een gedeelte van de rustdagen. Ook hier is de voorwaarde dat hij in de hoofdperiode nog volledig werkloos is. Hij heeft enerzijds recht op de dagen die binnen de overeenkomst vallen en anderzijds op een aantal bijkomende rustdagen in verhouding tot de duur van zijn arbeidsovereenkomst (elke maand tewerkstelling geeft recht op 1 rustdag).

De attesten die niet mogen overhandigd worden, moeten aan Constructiv, Koningsstraat 132 Bus 1 te 1070 Brussel (telefoon: 02/209.65.56 (dienst rustdagen) – fax: 02/209.65.00) worden teruggezonden, met vermelding van de reden van de schorsing en/of de datum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Constructiv zal later een aangepast formulier opmaken.

 

8 Aflevering van het attest bij een tewerkstelling tijdens de inhaalrustdagen

Indien de werkgever, gebruikmakend van de voorziene uitzonderingen, zijn arbeiders tewerkstelt tijdens één of meerdere van de twaalf inhaalrustdagen, dienen deze arbeiders niettemin op het normale tijdstip het attest te ontvangen. De door Constructiv uitbetaalde vergoeding dekt dan de vervangingsrustdag(en) die binnen de zes weken of binnen de zeven maanden moet(en) worden toegekend. 

 

9 Schorsing van de opzeggingstermijn

De opzeggingstermijn die door de werkgever betekend wordt, wordt geschorst tijdens de zes inhaalrustdagen (dus niet tijdens de weekends of op de feestdagen) die in de hoofdperiode van 23 december 2019 tot en met 31 december 2019 worden toegekend. Ook tijdens de twee inhaalrustdagen van 2 januari 2020 en 3 januari 2020 wordt de opzegtermijn geschorst!

Vanzelfsprekend zal de opzeggingstermijn niet geschorst worden wanneer de werknemer zelf opzegt. 

 

10 Klein verlet

Het klein verlet dat tijdens de inhaalrustdagen zou vallen, moet niet worden betaald (geen loonverlies). 

 

11 Ziekte – Ongeval – Gewaarborgd loon

Tijdens de 12 inhaalrustdagen, die gedekt zijn door een vergoeding, kan er geen aanspraak gemaakt worden op gewaarborgd loon ziekte. Een arbeider die arbeidsongeschikt wordt vóór of tijdens de inhaalrustdagen heeft slechts recht op gewaarborgd loon voor de dagen die zich situeren vóór en/of na de inhaalrustdagen. 

 

12 Tijdelijke werkloosheid

Tijdens de inhaalrustdagen kunnen de arbeiders geen aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen wegens schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge slecht weer of economische redenen. De arbeiders zullen voor de inhaalrustdagen de code A (loon zonder arbeid) moeten invullen op hun nominatieve C 3.2 A controlekaart. De werkgever mag voor de inhaalrustdagen noch de met de aard van de tijdelijke werkloosheid overeenstemmende code, noch het aantal uren van tijdelijke werkloosheid in het rooster van rubriek 3 op het “C 3.2-WERKGEVER” formulier invullen.

Ingeval de werknemers tewerkgesteld zouden worden tijdens de inhaalrustdagen, dient hen eerst de inhaalrust te worden toegekend vooraleer zij tijdelijk werkloos mogen gesteld worden.

De RVA-Antwerpen is er op ons verzoek mee akkoord gegaan dat de aangevraagde periode van economische werkloosheid met 2 weken verlengd wordt door de inhaalrustperiode tussen 23 december 2019 tot en met 3 januari 2020. Van de onderbreking ingevolge inhaalrust moet wel melding gemaakt worden in de kennisgeving tot invoering van de economische werkloosheid.

De inhaalrustdagen worden gelijkgesteld met een periode van werkhervatting tussen 2 economische werkloosheidsperiodes van 4 weken, als zij in een bijlage bij het arbeidsreglement opgenomen waren. 

 

13 Betaling van de feestdagen van Kerstmis en Nieuwjaar

Voor de betaling van de feestdagen van Kerstmis en Nieuwjaar, dient er een onderscheid gemaakt te worden al naargelang de situatie waarin de arbeider zich bevond vóór de inhaalrustdagen:

- de arbeiders die vóór de inhaalrustdagen aan het werk of in tijdelijke werkloosheid waren, hebben recht op de betaling van deze feestdagen ten laste van hun werkgever;
- de arbeiders van wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geschorst is om een andere reden dan tijdelijke werkloosheid, behouden het recht op de betaling van de feestdagen volgens de algemene regeling inzake de feestdagen;
- de arbeiders die door de werkgever - tenzij omwille van een dringende reden - vóór de inhaalrustdagen ontslagen werden en op het ogenblik dat de feestdagen vallen, nog volledig werkloos zijn, kunnen recht verkrijgen op betaling van Kerstmis en Nieuwjaar ten laste van hun vorige werkgever. Beide feestdagen moeten betaald worden indien zij binnen de 60 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vallen en de arbeider minstens 1 maand in dienst van de onderneming bleef. Als de arbeider meer dan 14 dagen en minder dan 1 maand in dienst bleef, kan hij op de betaling van maximum 1 feestdag aanspraak maken, voor zoverre die binnen de 14 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst valt.

 

14 De verwerking van de inhaalrustdagen in de DMFA-aangifte

De twaalf inhaalrustdagen worden onder de prestatiecode 12 aangegeven in de DMFA-aangifte aan de RSZ.

Zij worden als arbeidsdagen meegeteld om het bedrag van de structurele vermindering van de RSZ-bijdragen te berekenen.

 

BEDIENDEN (ANPCB NR. 218) 

Bedienden in de bouw volgen de regeling van de bouwvakarbeiders.

Ook voor hen bedraagt de wekelijkse arbeidsduur 38 uur op jaarbasis.

Voltijdse bedienden moeten gedurende 40 uur per week in de bouw tewerkgesteld worden en krijgen recht op twaalf inhaalrustdagen die zij op dezelfde data moeten nemen als de werklieden.

Voor elke inhaalrustdag waarop een bediende recht heeft, ontvangt hij/zij het normaal loon ten laste van de werkgever.

Belangrijk is dat:

- de bediende gebonden moet zijn door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de toekenning van de rustdagen; 

- de bediende die ontslag neemt in de loop van het jaar en die niet meer verbonden is door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat de rustdagen worden toegekend, er niet kan van genieten;

- de bediende die in de loop van het jaar in dienst treedt en die verbonden is door een arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat de rustdagen worden toegekend, er volledig kan van genieten. Zo heeft een bediende die recent (bv. 14 november 2019) aangeworven werd, recht op de inhaalrustdagen die tijdens de hoofdperiode vallen indien hij/zij op dat moment nog met een arbeidsovereenkomst verbonden is;

- de bediende die ontslagen wordt door zijn werkgever in de loop van het jaar en wiens overeenkomst een einde neemt in de periode van 60 dagen die voorafgaan aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, recht heeft op volledige betaling van de rustdagen ten laste van zijn vorige werkgever, tenminste als hij/zij bij het begin van de hoofdperiode nog volledig werkloos is; 

- de bediende die ontslagen wordt door zijn werkgever in de loop van het jaar en wiens overeenkomst een einde neemt vóór de periode van 60 dagen die voorafgaat aan het begin van de hoofdperiode van de rustdagen, enkel recht heeft op de rustdagen die binnen de duur van zijn arbeidsovereenkomst vallen.

De opzeggingstermijn van bedienden wordt niet geschorst tijdens de inhaalrustdagen die in de eindejaarsperiode vallen.

 

LEERLINGEN - Overeenkomst alternerende opleiding (afgesloten vanaf 1 september 2016)

Vanaf 1 september 2016 vervangt de overeenkomst alternerende opleiding de middenstandsleerovereenkomst en het industrieel leerlingwezen - waaronder het JLW en de ABO in de bouw ressorteren - in Vlaanderen.

In de overeenkomst alternerende opleiding waarbij er een maandelijkse leervergoeding tussen € 462,30 en € 549,90 voorzien is, zullen dezelfde regels inzake toekenning inhaalrustdagen gelden als in het kader van middenstandsleerovereenkomst. Dit betekent dat ze op de inhaalrustdagen van het werk afwezig mogen blijven en tijdens deze dagen hun recht blijven behouden op betaling van de leervergoeding namens de onderneming.

Vanaf 1 december 2019 zijn er enkele belangrijke wijzigingen in de regeling van de mobiliteitsvergoedingen – bouwsector.

Wat verandert er precies?

  1. HET BEDRAG VAN DE MOBILITEITSVERGOEDING VERHOOGT MET 20%.

Voor verplaatsingen met een ander vervoermiddel dan de trein (het zogenoemde barema B), wordt het bedrag van de mobiliteitsvergoeding vanaf 1 december 2019 met 20% verhoogd.  Voortaan komen we op volgende basisbedragen uit :

Werkelijk totale afgelegde afstand per dag

Mobiliteitsvergoeding per km heen en terug

0 tot 59 km

€ 0,0619

60 tot 77 km

€ 0,0676

78 tot 103 km

€ 0,0700

104 tot 129 km

€ 0,0724

130 tot 155 km

€ 0,0773

156 tot 207 km

€ 0,0818

208 tot 259 km

€ 0,0844

260 km en meer

€ 0,0868

Looncode bij Dienstbetoon : 5000

 

Via onze website www.dienstbetoon.be kan de in de bouw verschuldigde mobiliteitsvergoeding, verplaatsings- en fietsvergoeding via een eenvoudige Excel-module berekend worden.  Vanaf  9  december 2019  wordt de nieuwe versie gepubliceerd. 

( https://www.dienstbetoon.be/index.php/mobiliteitsvergoeding )

 

  1. CHAUFFEURS MET PERSONEELSVOERTUIGEN DIE ALLEEN RIJDEN - NIEUW

Vanaf 1 december 2019 is er een nieuw mobiliteitsbedrag van kracht voor bestuurders van voertuigen van de werkgever, die daarbij geen personeel vervoeren

Het moet hierbij uitdrukkelijk gaan om :

  • Een arbeider die zich alleen (dus zonder passagiers) met een bedrijfsvoertuig van de werkgever naar de werf verplaatst;
  • waarbij de verplaatsing gebeurt op vraag van de werkgever
  • en er geen collectief vervoer voor deze arbeider mogelijk is.

In alle andere gevallen blijft de gewone mobiliteitsvergoeding (aan het tarief opgenomen in 1) van toepassing

Voor deze categorie van bestuurders bedraagt de mobiliteitsvergoeding 5% meer dan de vergoeding opgenomen in de vorige tabel en komen we op volgende bedragen uit :

Werkelijk totale afgelegde afstand per dag

Mobiliteitsvergoeding per km heen en terug

0 tot 59 km

€ 0,0650

60 tot 77 km

€ 0,0710

78 tot 103 km

€ 0,0735

104 tot 129 km

€ 0,0760

130 tot 155 km

€ 0,0812

156 tot 207 km

€ 0,0859

208 tot 259 km

€ 0,0886

260 km en meer

€ 0,0911

Nieuwe looncode bij Dienstbetoon : 5040

 

  1. CHAUFFEURS MET PERSONEELSVOERTUIGEN DIE PERSONEEL VERVOEREN

Voor deze categorie van  bestuurders bedraagt de mobiliteitsvergoeding sinds jaar en dag 0,1316 EUR/km en dat vanaf de eerste kilometer.  Dit bedrag komt overeen met het bedrag dat op sociale zekerheids vlak en fiscaal vrijgesteld wordt.

De sociale partners van de bouwsector spraken of om deze vergoeding met 20% te verhogen en op 0,1579 EUR/km te brengen

Deze verhoging van 20% zal uitwerking hebben nadat een Koninklijk Besluit wordt genomen waarbij het grensbedrag van mobiliteitsvergoeding minimaal wordt verhoogd tot 0,1579 EUR/km. Tot dan blijft het bedrag van 0,1316 EUR/km van toepassing. 

Looncode bij Dienstbetoon : 5002 (Mobiliteit chauffeur)

 

  1. ARBEIDERS DIE OP JAARBASIS 43.000 KILOMETER OF MEER AFLEGGEN, KRIJGEN EEN MOBILITEITSDAG - NIEUW

De werkgever is voortaan verplicht om een betaalde mobiliteitsdag (= vakantiedag) toe te kennen aan arbeiders die op jaarbasis 43.000 kilometer of meer afleggen. Voor het bepalen van de grens telt zowel de afstand tussen de woonplaats en het bedrijf, als deze tussen het bedrijf en de werf mee Deze mobiliteitsdag wordt in onderling akkoord met de werkgever opgenomen vóór 1 april volgend op het jaar waarop deze mobiliteitsdag betrekking heeft.  De eerste mobiliteitsdagen met betrekking tot 2019 kunnen dus al vanaf nu tot 31 maart 2020 opgenomen worden door de bouwvakarbeiders die meer dan 43.000 km in 2019 aflegden.

De mobiliteitsdag is enkel verschuldigd als de arbeider hem effectief opneemt.  De werkgever moet het loon voor de mobiliteitsdag niet betalen als de arbeider hem niet opneemt of niet heeft kunnen opnemen ingevolge schorsing of beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Nieuwe prestatiecode bij Dienstbetoon : 217

 

  1. ARBEIDERS DIE ZICH MET DE FIETS VERPLAATSEN, ONTVANGEN EEN FIETSVERGOEDING

De fietsvergoeding bedraagt vanaf 1 december 2019 € 0,24 (ipv € 0,22) per werkelijk afgelegde kilometer. De fietsvergoeding vervangt de terugbetaling van de reiskosten en de mobiliteitsvergoeding.

Looncode bij Dienstbetoon : 8210 (of 8211)

 

WETTELIJKE REFERENTIE

CAO van 30 september 2019 betreffende de tegemoetkoming in de reiskosten voor bouwvakarbeiders.

Onze log-in is momenteel enkel beschikbaar op desktop.

Terugbetaling Gewaarborgd Loon Serviam Plus

Terugbetalingen gewaarborgd loon mogelijk voor uw bouwvakarbeiders!

Lees meer...

Serviam Plus ESV

Er zijn sociaal secretariaten en er is Serviam Plus, de partner die met u meedenkt en soepel inspeelt op al uw vragen.

Lees meer...

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Mobiliteitsvergoeding bouw

Voor de verplaatsingen die de arbeiders en bedienden in de bouw doen, is in vele gevallen een tegemoetkoming in de reiskosten door de werkgever verschuldigd.

Lees meer...